Poeziewedstrijd

De organisatie is ingenomen met het initiatief van de Leeuwarder Courant om in dit jubileumjaar een zgn. Lyrische Courant te wijden aan het thema: wie is jóúw muze??’.

De lezers van de Leeuwarder Courant worden in de loop van dit jaar (zie dan ook www.lc.nl) opgeroepen een gedicht te schrijven over dat inspirerende onderwerp. De Lyrische Courant verschijnt op vrijdag 5 oktober a.s..

Via de betekenis en het leven van Saskia kunnen zij zich in elk geval laten inspireren door een aansprekend Fries rolmodel uit de 17e eeuw. Die speciale bijlage bij de Leeuwarder Courant zal uitkomen voorafgaande aan de Saskiaviering.

Er van uit gaande dat de kwaliteit van de (mooiste) gedichten dat rechtvaardigt wil de organisatie de winnaars op 13 oktober a.s ook extra in het zonnetje zetten. Bovendien werkt de organisatie er graag aan mee om de mooiste gedichten op deze website te publiceren. De Leeuwarder Courant gaat in de zomer van 2012 ook zelf op zoek naar wat men noemt 'hedendaagse Saskia's. Zij wijdt een zomerserie aan muzen uit deze tijd. Kent u een muze (een inspiratiebron) voor kunstenaars of artiesten, meldt dat dan svp bij deze krant. Men houdt zich aanbevolen voor tips: cultuur@lc.nl of bel 058-2845395.

In het julinummer van de Moanne gaat Peter de Haan nader in op gedichten die in het verleden aan Saskia Uylenburgh zijn gewijd.

Hoewel dat gedicht niet alleen gaat over Saskia als muze van Rembrandt maar een veel bredere strekking heeft nemen we hier graag een gedicht in het Bildts op dat Froukje de Jong-Krap in 2005 aan Saskia Uylenburgh heeft gewijd.

Saskia,

Bist in Luwt geboren, troud in St.-Anne Saskia,
en historisy wete hyltyd meer fan dij.
Maar d’r binne nag soafeul persoanlike fragen,
werop ik nooit ’n antwoord fan dy krij.

Hest’ ‘n mooie jeugd had Saskia,
ok al waarstou feer de jongste in jim groate gesin?
Dyn omgeving waar fan intellekt en stand,
Geestlik en materieel hadden jim ’t fast niet min.

Maar hest’ ’n prot ferdriet had Saskia,
doestou d’r al in dyn jonge jaren alleen foor stônst?
Kreegst ’n wêrm plakky bij Gerrit en Hiskia,
in ’t gesin werfan astou in St.-Anne dyn plakky fônst?

Bist drekt ferlyfd worren Saskia,
doestou Rembrandt bij dyn neef in Amsterdam trofst as gast?
Waar dyn femily d’r wel soa wiis met,
datst’ ’n frifoale kûnstskilder as man koazen hadst?

Hest’ met Rembrandt in St.-Anne koierd Saskia,
toandestou him de plakkys in ’t dorp diest’ ’t mooiste fônst?
Hest’ him froegen foor dij ’t Bildt te tekenen,
soadatst’ na dyn troudâg ’n herinnering metnimme kônst?

Waar hij goed foor dij Saskia,
het Rembrandt in minne en goeie tiden altyd op dy past?

’t Het fast niet altyd maklik weest
kûnstnerslevens bin’ âns as de achtergrônd derstou útkwamst.

’n Paar keer hestou nag op bezite weest Saskia,
bij doopdiensten fan tantesêgers in St.-Anne, dat kin wy leze.
De hechte femilybând hest’ altyd onderhouwen,
ok in ’n tiid dat raizen niet soa maklik waar as nou’t wij leve.

Dou hest fast feul ferdriet had Saskia,
fan dyn drie poppys die’t niet opgroeie mochten.
Op dyn sykbêd hest’ ok wis wel weten,
dat Rembrandt en Titus dij niet lang meer houwe mochten.

Dou waarst feul te jong nag Saskia,
doest’ foorgoed dyn ogen sloatst in Amsterdam.
In de Oude Kerk laaistou begroeven,
dêr wer’t neffens Rembrandt ’t sonlicht ’t mooist delkwam.

Dyn gefoelens sille wy nooit kinne Saskia,
d’r binne gyn skreven dagboeken en
netisys fan dij.

Alles wat wy seker fan dy wete,
is dyn testamint en de ferskillende antekenings over dij.

Rembrandt waar wis heel wiis met dij Saskia,
dou waarst de groatste liefde die’t hij in syn leven fon.

Hij liet petretten na as bewiis en erfenis,
’t mooiste wat hij ôns, ok eeuwen later nag, geve kon.

Op ’t Bildt bist’ niet fergeten raakt Saskia,
d’r wort nag altyd praat over Rembrandt en dij.
Met ’n straat, ’n beeldsy, ’t trouregister in ‘e kerk,
Bildtse naamgenoates en op andere wizen blyfst ôns bij.

En ast’ nag even kike kônst Saskia:
in ‘t jaar fan ’t Bildts fijfhondert jaar bestaan,
Hast’ dyn eerste aigen tintoanstelling in St.-Anne,
en silst nou altyd út ’t skâd fan dyn Rembrandt staan.

Froukje de Jong-Krap, maart 2005

Bekende dichters hebben zich overigens al eerder gewijd aan schilderijen van de grootste kunstenaar die Nederland heeft voortgebracht. De laatste gedichtenbundel heette ‘Lyrisch van Rembrandt’, Rijksmuseum 2006. Met daarin gedichten  die soms teruggrijpen op Saskia en dan weer op de tragiek die Rembrandt in zijn leven heeft getroffen: eerst het voortijdige overlijden van de eerste drie door Saskia gebaarde kinderen, later haar te vroege overlijden en financiële tegenslag.

ANNA ENQUIST wijdde het volgende gedicht aan het echtpaar waarin de tragiek in hun leven al aangekondigd wordt.

Rembrandt en Saskia

Anna Enquist

Hij schildert in het huwelijksjaar
zijn vrouw, hij schildert wat met haar
verloren gaat achter het zoete kinspek,
de verlegen lippen en het roze oor.

Hij schildert haarslierten en parels,
glazen oorhanger die hem een middag
neemt. Doorzichtigheid wekt razernij;
hij schildert maar wat schildert hij?

Niet hoe zij was maar wat zij dacht,
wat zij achter de ezel zag, wat zij
vertelde met die blik - toegangsbiljet
tot doffe rouw: een zelfportret.

Ook HUGO CLAUS schreef een gedicht, dit keer naar aanleiding van het doek ‘Artemisia’ waarvoor Saskia model heeft gestaan.

Dat gedicht van Claus eindigde wel heel ondeugend met:

‘Geef mij je hand’, vraagt hij
en hapt er in als een pad
en zegt: ‘Ah, toen zij, toen zij,
toen Saskia op mijn stengel zat.’

SIMON VESTDIJK waagde zich eerder ook aan een gedicht over Rembrandt en Saskia, naar aanleiding van het doek ‘Rembrandt en Saskia in de gelijkenis van de Verloren Zoon’. In dat gedicht trekt Vestdijk nogal wat zelfverkozen conclusies over de vrouw die Saskia was waaruit blijkt dat de fantasie wel erg met hem op de loop is gegaan. Uiteindelijk maakt hij een vergelijking tussen Saskia en vrouwen in het algemeen. Het gedicht eindigt met deze strofe:

O Saskia, mijn liefde is
Het niet, waartegen zich te weer stelt
Mijn kunst’naarstrots: het is het leergeld,
Aan alle vrouwen te betalen,
Die gladder zijn dan het vernis,
Die koel zijn als Semiramis,
Die als wij werken ademhalen.

Het enige kind van Rembrandt & Saskia dat bleef leven was Titus. De onlangs overleden dichter RUTGER KOPLAND heeft  - kijkend naar Rembrandts beroemde schilderij van zijn peinzende zoontje - het moment vastgelegd waarop Titus denkt aan iets dat niet geschreven kan worden. Denkt hij aan zijn toen overleden moeder? Kopland noemt zijn gezichtsuitdrukking in elk geval ‘ernstig’ en ‘stil’, alsof het ‘in de verte’ kijkt.  Je kunt zijn blik natuurlijk op verschillende manieren interpreteren maar dat Titus zijn moeder na haar overlijden heeft gemist staat vast.

Titus aan zijn schrijftafel

Rutger Kopland

Dit laat Rembrandt zien in het portret
van zijn zoon - het nadenken van een kind
hoe ernstig hoe stil dat gezicht is
hoe het kijkt alsof het kijkt in een verte

en je weet dat zijn ogen niets zien
dat hij kijkt naar iets achter zijn ogen
alsof hij zoekt naar woorden voor
wat er daarachter leeft

hij laat ook de hand zien van dat kind
hoe het met een duim op zijn kin
en met een pen op een papier
wacht op wat het gaat schrijven

en niemand weet waar het op wacht
ook dat kind niet

dat is wat wij zien - dat
iets niet geschreven kan worden

Weinigen weten dat de bekende Friese portretschilder Wybrand de Geest (bijnaam: ‘de Friese adelaar’) via zijn vrouw Hendriecken Fransdr. ook familie was van Saskia en daarmee van Rembandt. Wybrand de Geest die in 1592 in Leeuwarden is geboren trouwde in 1621 met haar, Saskia was toen 9 jaar. Rembrandt en Wybrand de Geest moeten elkaar als kunstenaars, en familie goed gekend hebben. Wybrand de Geest heeft op drie verschillende adressen in Leeuwarden gewoond. Net als Rembrandt verzamelde De Geest graag kunstwerken en curiosa. Het Fries Museum, het Louvre en andere buitenlandse musea bezitten portretten van hem. Een tijdgenoot van Rembrandt en Saskia was ook de bekende dichter Joost Vondel. Het is niet algemeen bekend dat Vondel zelfs een keer een gedicht aan Wybrand de Geest heeft gewijd’

Dat luidt alsvolgt:

Waerschuwing aen Wybrant de Geest, Schilder.

O Geest, die, in het Vriesche hof,
Het leven geeft aen asch en stof,
En zweeft met geestige penseelen
En verf op doeken en paneelen;

‘k Geloof gy terreght vrouw Natuur,
En durft de zon haer heiligh vuur
Ontstelen, en de vingers zengen,
Om leven in uw beelt te brengen.

Zie toe, Prometheus, wien gy raeckt,
Als gy den mensch onsterflijk maekt,
En, om op ’t aerdryk ’t licht te malen,
Den hemel plondert van zyn stralen.

Men ketende eertijts zulk een’ gast
In ’t Noorden aen een steenrots vast,
En korte hem de stoute vlogels.
’t Zyn geesten die de wolken treën,

’t Is waer doch zonder vleesch en been.
Een yeder ken’ zyn’ staet, en waerde.
De zichtbre geesten gaen op d’aerde.
Dus blyf ons hier beneden by,

Daer Noien, zittende aen uw zy,
U weet aen zyne tong te lijmen.
Met puike van heerelijke rijmen,.
Hy is gewoon zijn Poëzy

Te huwen aan uw schildery.
Gy zuight zijn dichten met uw ooren.
Zijn oogen kussen uw Pandoren.
Zoo groeit gy in malkanders gunst,

En wisselt t’elkens kunst om kunst.
In Vrieslant zijn geen twee gewassen,
Die beter op malkander passen.

Vondel

Ga terug naar alle activiteiten.